Artikelen omtrent de Zorgverzekeringswet

Noot: dit is de vierde pagina met betrekking tot de veranderingen in de zorgverzekeringswet in 2006. De andere pagina´s vindt u hier:
201220112010 – 2009 – 200820072006


Op deze pagina:
- Versnelde behandeling EU hof Luxemburg – 31 oktober 2009
- Centrale Raad van Beroep doet uitspraak – 26 augustus 2009
- Centrale Raad van Beroep stelt vragen – 31 maart 2009
- Uittreksel Pleitnota Hoger Beroep – 15 januari 2009

Versnelde behandeling EU hof Luxemburg – 31 oktober 2009

MEDEDELING

STICHTING BELANGENBEHARTIGING NEDERLANDSE GEPENSIONEEREN IN HET BUITENLAND

Eerder konden wij u berichten dat de Centrale Raad van Beroep te Utrecht naar aanleiding van het door onze stichting ingestelde beroep tegen het vonnis van de rechtbank in Amsterdam, heeft besloten prejudiciële vragen voor te leggen aan het Europsche Hof van Justitie te Luxemburg.

Gezien de aard van onze zaak en de belangengroep die het dient heeft onze raadsman op ons initiatief een verzoek ingediend tot versnelde behandeling.

Medio oktober 2009 ontvingen wij bericht van de griffier van het EU Hof dat ons verzoek in deze is ingewilligd.

Als gevolg daarvan is het de verwachting dat we over ongeveer 12 maanden een uitspraak van het Hof van Justitie kunnen verwachten.

De procedure daarna is slechts een formaliteit: of we winnen en dan zal onmiddellijk de regelgeving/handhaving moeten worden aangepast, voor zover mogelijk met terugwerkende kracht, zonder dat op een einduitspraak van de Centrale Raad van Beroep hoeft te worden gewacht. Verliezen we in Luxemburg, dan trekken we de beroepen in, omdat het in dat geval geen zin heeft door te procederen.


Namens het bestuur
SBNGB

…terug naar boven…

Centrale Raad van Beroep doet uitspraak – 26 augustus 2009

Centrale Raad van Beroep doet uitspraak over woonlandfactoren en vraagt uitleg aan Hof van Justitie te Luxemburg over zorgbijdrage.

Eindelijk heeft de Centrale Raad van beroep op 26 augustus 2009 – ruim zeven maanden na de zitting op 15 januari 2009 – uitspraken gedaan in deze ‘spoedzaken’!

De rechtsvraag die aan de orde was betreft een groot aantal personen die met een Nederlands pensioen of uitkering wonen in een ander land van de Europese Unie. Deze gepensioneerden waren particulier verzekerd voor ziektekosten en betaalden alleen premie voor de door hen afgesloten verzekering.

Op grond van de per 1 januari 2006 in werking getreden Zorgverzekeringswet (Zvw) is een EG-verordening van toepassing geworden op deze groep gepensioneerden. Hierdoor hebben zij aanspraak gekregen op medische zorg in het woonland op grond van de wetgeving van dat woonland en voor rekening van Nederland. Om voor medische zorg in aanmerking te komen dienen betrokkenen zich aan te melden bij het College voor zorgverzekeringen (Cvz) en zich vervolgens in te schrijven bij het ziekenfonds van de woonplaats. Voor dit recht op zorg wordt een bijdrage ingehouden op het Nederlandse pensioen. De (Nederlandse) particuliere ziektekostenverzekering van betrokkenen is met ingang van 1 januari 2006 vervallen.

Veel gepensioneerden hebben zich niet of onder protest ingeschreven bij het plaatselijke ziekenfonds omdat zij niet van de geboden zorgverstrekkingen gebruik willen maken. Zij stellen een keuzerecht te hebben om zich in te schrijven bij het plaatselijke ziekenfonds dan wel zelf een ziektekostenverzekering af te sluiten. Als zij zich niet inschrijven bij het plaatselijke ziekenfonds, dan maken zij geen gebruik van de geboden zorg in het woonland en mag volgens hen Nederland ook geen bijdrage heffen.

Cvz stelt dat op grond van de toepasselijke EG-verordening het recht op zorg in het woonland niet afhankelijk is van de inschrijving bij het plaatselijke ziekenfonds. Ook bij niet inschrijving is Nederland gerechtigd een bijdrage in te houden op het pensioen. Cvz beroept zich hierbij op de solidariteitsgedachte binnen een sociaal verzekeringsstelsel.

Ivm dit geschil heeft de SBNGB een oordeel gevraagd aan de Centrale Raad van Beroep. De Centrale Raad van Beroep is de hoogste nationale rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het burgerlijke en militaire ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

1. De Woonlandfactor

De CRvB heeft ten eerste uitspraak gedaan in onze proefprocedures met betrekking tot de woonlandfactor. Helaas is de CRvB van oordeel dat de woonlandfactor niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en evenmin met het verbod van willekeur. De Raad oordeelt dat er geen sprake is van overduidelijke onevenredigheid tussen de bijdragen die worden ingehouden en de kosten die door Nederland worden gemaakt.
In overweging 3.7.3 onderbouwt de Raad dit als volgt:

” (…) dat bij de Zvw sprake is van een volksverzekering (…). Zoals bij alle sociale verzekeringen speelt solidariteit in dit stelsel een belangrijke rol. De Raad ziet geen grond waarom dit uitgangspunt ook niet zou mogen worden toegepast bij de vaststelling van de hoogte van de bijdrage Zvw voor verdragsgerechtigden. Dit in aanmerking nemend en voorts overwegend dat bij de vaststelling van de woonlandfactor is aangesloten bij het algemene verstrekkingenniveau per land en in (het stelsel van) Vo 1408/71 geen rechtsgrondslag is gelegen voor het aannemen van de rechtsplicht om een – volledig – evenwicht te realiseren tussen de voor de groep gepensioneerde en rentetrekkers gemaakte kosten enerzijds en de aan hen in rekening te brengen bijdragen anderzijds kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat sprake is van een overduidelijke onevenredigheid bij de ongelijke behandeling van appellanten. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat de Nederlandse regelgever niet (ook) had kunnen kiezen voor de namens appellanten bepleite alternatieve wijze(n) van vaststelling van de woonlandfactor of een variant daarop. Dat is echter niet de toetsingsmaatstaf die hier moet worden aangelegd.”

2. Het keuzerecht

Goed nieuws in onze proefprocedures met betrekking tot het keuzerecht:

De Centrale Raad van Beroep heeft inmiddels prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie:
Naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep is niet volstrekt duidelijk hoe de EG-verordening moet worden uitgelegd. Aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden daarom enkele prejudiciële vragen gesteld.

a. De Centrale Raad van Beroep vraagt bij verzoek van 26 augustus 2009 (LJN: BJ5891) het Hof of het in strijd is met de EG-verordening dat aan betrokkenen de verplichting wordt opgelegd zich aan te melden bij Cvz en dat van deze betrokkenen een bijdrage wordt ingehouden op hun pensioen, ook als zij zich niet hebben ingeschreven bij het ziekenfonds van de woonplaats,.

b. Vervolgens vraagt de Raad of deze verplichte aanmelding en het inhouden van die bijdrage een belemmering vormen van het vrij verkeer van werknemers en/of burgers van de Unie, als bedoeld in het EG-Verdrag.

In afwachting van het antwoord van het Hof houdt de Raad de behandeling van deze gedingen aan.

Het bestuur van de SBNGB (Stichting Belangen behartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland).

…terug naar boven…

Centrale Raad van Beroep stelt vragen – 31 maart 2009

De Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland heeft van haar raadsman bericht ontvangen dat de Centrale Raad van Beroep heeft aangekondigd prejudiciële vragen te gaan stellen over de verenigbaarheid met het EG-recht van de bijdrageplicht op grond van artikel 69 Zvw. in gevallen waarin geen inschrijving heeft plaatsgevonden bij het ziekenfonds van de woonplaats.

Het bestuur van de Stichting tekent hierbij aan dat het bovengenoemde besluit van de CRvB als zeer positief wordt gekenmerkt, aangezien in eerdere uitspraken door rechters op lager niveau het verzoek van de Stichting om toetsing aan EU recht werd afgewezen zoals door CVZ gesuggereerd.

Het bestuur.

…terug naar boven…

Uittreksel Pleitnota Hoger Beroep – 15 januari 2009

Het hoger beroep ingesteld door de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland (‘SBNGB‘) tegen het College voor Zorgverzekeringen (‘CVZ’) is behandeld op de zitting van de Centrale Raad van Beroep in Utrecht op donderdag 15 januari 2009 om 10.00 uur.
Het vonnis wordt gewezen uiterlijk binnen 12 weken ná 15 januari 2009.

Samenvatting Pleitnota
De pleitnota van onze advocaat concentreert zich rond 3 geschilpunten:
- Het inschrijven bij de ziekenkas van de woonplaats;
- Het heffen van de bijdrage door het CVZ;
- De berekening van de woonlandfactor.

Ad A) Het inschrijven bij de ziekenkas van de woonplaats.
Het CVZ stelt zich op het standpunt dat alle fiscaal in het buitenland wonende Nederlanders, die een AOW-uitkering, een nederlands pensioen of andere nederlandse inkomsten ontvangen, automatisch (afgezien van enkele uitzonderingen) in Nederland een bijdrage, premie dus eigenlijk, moeten betalen voor de zorg, die zij in het woonland van het ziekenfonds aldaar zouden kunnen ontvangen. Of ze die nu daadwerkelijk ontvangen of niet, m.a.w. of ze nu wel of niet ingeschreven zijn bij dat ziekenfonds, maakt volgens het CVZ niets uit . Onze advocaat daarentegen is van mening : géén inschrijving bij het ziekenfonds van de woonplaats, dan ook géén recht op zorg in het woonland, dus ook géén recht van Nederland om een bijdrage in te houden.
Hij toont aan dat de niet bij het ziekenfonds van het woonland ingeschreven Nederlander ook géén recht op zorg heeft in dat woonland, terwijl het woonland ook pas na die inschrijving bij Nederland een forfaitair bedrag voor de verzekerde in rekening kan brengen. Inschrijving is dus noodzakelijk, er bestaat géén recht op verstrekkingen voordat is ingeschreven, ook niet met terugwerkende kracht.
Dus : géén inschrijving : géén recht op zorg, en dus géén heffing van een bijdrage.
Bovendien staat in het van toepassing zijnde wetsartikel (33Vo), dat een bijdrage door het CVZ slechts geheven mag worden, voorzover(dit woord is essentieel in het wetsartikel) er door het woonland aan Nederland kosten (voor de verzekerde) in rekening worden gebracht. Maar als er geen inschrijving heeft plaatsgevonden, worden er door het woonland geen kosten aan Nederland in rekening gebracht, er is dan namelijk geen ‘’verzekerde’’.
Onze advocaat vindt dat er daarom door het Europese Hof van Justitie een oordeel gegeven zou moeten worden over de uitleg van artikel 33 Vo.1408/71, en formuleert twee prejudiciele vragen, die hiertoe aan dit Hof zouden moeten worden voorgelegd.

Ad B) Het heffen van de bijdrage door CVZ.
Onze advocaat stelt dat de Zvw-bijdrage eigenlijk onder het hoofdje ‘’belasting’’ valt : Volgens het Europese recht wordt namelijk een heffing niet als belasting beschouwd als er een direct verband bestaat tussen de heffing en de voordelen, die de persoon, waarvan geheven wordt, ervan heeft. Daar er niet een automatisch vaststaande verzekering staat tegenover de zvw-bijdrage: de bijdrageplichtige heeft juist géén recht meer op zorg in Nederland en het CVZ heft zélfs als er géén inschrijving bij het woonland-ziekenfonds heeft plaats gevonden (en er dus géén recht op zorg bestaat) moet de CVZ-bijdrage gezien worden als een belasting.
Nederland heeft bilaterale belastingverdragen met België, Spanje, Frankrijk, Italië en Ierland .Volgens deze verdragen zouden AOW-inkomsten belast moeten worden in het woonland, alleen ambtenarenpensioenen zijn, conform deze verdragen, hiervan uitgezonderd.
Dus kan Nederland geen Zvw-bijdrage heffen over AOW-inkomsten (wél over ambtenarenpensioenen).

Ad C) De berekening van de woonlandfactor.
Onze advocaat stelt dat de berekening van de woonlandfactor in strijd is met het gelijkheidsbeginsel ; bovendien is deze berekening een daad van bestuurlijke willekeur.
Strijd met het gelijkheidsbeginsel, want:
De kosten die door het woonland voor de zorg aan gepensioneerden in rekening worden gebracht aan Nederland zijn aanzienlijk lager dan de kosten die in Nederland zelf voor zorg aan gepensioneerden worden gemaakt. Dit verschil komt voornamelijk door het ontbreken van de AWBZ in het woonland. Bij de vaststelling van de woonlandfactor is hiermee geen rekening gehouden.
Bovendien worden met name de gepensioneerden benadeeld door bij de vaststelling van de woonlandfactor de kosten voor zorg voor de gehele bevolking van het woonland met die van Nederland te vergelijken; dit geeft een totaal vertekend beeld, daar juist de kosten voor gepensioneerden in Nederland sterk stijgen; in het woonland is dit niet zo omdat er nauwelijks AWBZ bestaat. Vaststelling van de woonlandfactor is alleen ‘’eerlijk’’ als dit zou geschieden op basis van een vergelijking van de kosten van zorg voor gepensioneerden in het woonland en die voor gepensioneerden in Nederland. Zoals de woonlandfactor nu wordt berekend is hij dus juist in strijd met het solidariteitsbeginsel.
Een daad van bestuurlijke willekeur, want: De overheid heeft aangevoerd dat het te lastig(!) was om de woonlandfactor op de door onze advocaat voorgestane wijze te berekenen. Falen en onmacht van de administratie om iets te berekenen mag natuurlijk geen rechtvaardiging zijn om e.e.a. dan maar op een gemakkelijk te berekenen onjuiste wijze vast te stellen.

Tenslotte is onze advocaat van mening dat de Rechtbank van Amsterdam de vaststelling van de woonlandfactor had moeten toetsen aan deze twee beginselen. Door vaststelling van de woonlandfactor is er iets minder sprake van ongelijkheid en willekeur dan er heel in het begin bij de invoering van de Zvw was, maar hij is er nog zeker wél. Ter ondersteuning worden een tweetal arresten aangevoerd.

Conclusie van onze advocaat:
De bestreden uitspraken zouden moeten worden vernietigd, en verzocht wordt om – eventueel -prejudiciële vragen m.b.t. de uitleg van artikel 33 Vo.1408/71 aan het Europese Hof van Justitie voor te leggen.

…terug naar boven…